Glossarium
AMINOZUUR
Basismolecule en bouwsteen van proteïnen die helpt bij de opbouw en het behoud van ons lichaam. Bepaalde aminozuren zijn “essentieel” omdat ons lichaam die niet zelf kan aanmaken.
FOLIUMZUUR of vitamine B9
Vooral peulvruchten en orgaanvlees zijn rijk aan vitamine B9 dat een rol speelt bij de groei en deling van cellen, vooral de bloedcellen.
VETZUREN (VZ)
Bestanddelen van vetten. We onderscheiden drie types van VZ, afhankelijk van het aantal dubbele bindingen:
Verzadigde VZ: geen dubbele binding.
Mono-onverzadigde VZ: een dubbele binding.
Poly-onverzadigde VZ: minstens twee dubbele bindingen, waarvan twee essentiële VZ: linolzuur en alfa-linoleenzuur.
ADDITIEF
Stof die aan een voedingsmiddel of bereiding wordt toegevoegd om de bewaring, kleur, textuur … te verbeteren
VOEDINGS-/GEZONDHEIDSCLAIM
Vermelding die beweert of suggereert dat een voedingsmiddel over specifieke eigenschappen beschikt, vooral met betrekking tot de samenstelling en/of de voedingswaarden.
Enkele voorbeelden: “bron van proteïnen”, “helpt om de cholesterol te verlagen” …
GEMODIFICEERD ZETMEEL
Zetmeel dat chemisch verwerkt wordt om er specifieke eigenschappen aan te geven, bijvoorbeeld een betere textuur geven. Dit is dus geen zetmeel dat afkomstig is van genetisch gemodificeerde gewassen!
ANTIOXIDANTEN
Groep van moleculen (vitamine A, C, E, selenium, zink, lycopeen) die de vrije radicalen kunnen neutraliseren die ons lichaam aanmaakt onder invloed van stress, roken … Deze antioxidanten gaan ook de oxidatie van de cellen tegen.
TOTALE ENERGIE-INNAME (TEI)
Gemiddelde hoeveelheid energie (of calorieën) ingenomen door voeding, in principe gedurende een dag.
AANBEVOLEN DAGELIJKSE HOEVEELHEID (ADH)
Waarden die gebruikt worden op de voedingswaarde-etikettering van voedingsmiddelen. Dit zijn vaste waarden voor elke voedingsstof, vitamine en mineraal die geen rekening houden met de verschillen per leeftijd of geslacht. Deze cijfers gelden voor heel Europa en zijn reglementair vastgelegd.
VOEDINGSAANBEVELINGEN
De behoefte aan diverse voedingsstoffen hangt af van diverse factoren, zoals gewicht, geslacht, fysiologische toestand (groei, zwangerschap, borstvoeding), fysieke activiteit en individuele parameters. De voedingsaanbevelingen voor elke voedingsstof worden geschat op basis van diverse studies die, per bevolkingsgroepen, zoeken naar de gemiddelde behoefte voor die voedingsstof, maar ook in hoeverre die behoefte verschilt tussen individuen (omdat die niet voor iedereen hetzelfde is). Er wordt ook rekening gehouden met de gezondheidsrisico’s van een overdaad of tekort.
ASPARTAAM
Stof die bestaat uit 2 aminozuren (fenylalanine en asparaginezuur) die voedingsmiddelen een zoete smaak geeft en geen calorieën bevat.
MELKZUURBACTERIËN
Micro-organismen die gebruikt worden bij de fermentatie van voedingsmiddelen, vooral yoghurt en bepaalde melkspecialiteiten.
VOEDINGSBEHOEFTEN
Zie Voedingsaanbevelingen
BÈTACAROTEEN of provitamine A
Precursor van vitamine A en lid van de familie van carotenoïden die bekend staan om hun antioxiderende werking. Bètacaroteen zit vooral in wortelen die daardoor hun oranje kleur krijgen.
BIOBESCHIKBAARHEID
Potentiële opname van een voedingsstof in een voedingsmiddel door ons lichaam
CALCIUM
Mineraal waaruit ons botweefsel is opgebouwd. Ons lichaam haalt calcium uit voedingsmiddelen, vooral zuivelproducten.
BOTWEEFSEL
Dit is de minerale botmassa die zorgt voor de bewegingsweerstand van de botten. Het botweefsel wordt vanaf de kindertijd opgebouwd: aan het einde van de puberteit wordt de piekbotmassa bereikt.
VOEDINGSDEFICIËNTIE/TEKORT
Gebrekkige inname of opname van elementen die essentieel zijn voor ons lichaam.
KOUDEKETEN
Voortdurend koel bewaren van gekoelde producten om de gezonde, nutritieve en organoleptische eigenschappen te bewaren.
CHOLESTEROL
Cholesterol is een bestanddeel van de membranen rond onze cellen en dus levensnoodzakelijk. Het is ook onmisbaar voor de aanmaak van hormonen die geproduceerd worden door de geslachtsklieren en bijnieren.
Een te hoog cholesterolniveau in het bloed leidt dan weer tot de afzetting van plaque op de aderwanden (aderverkalking).
COLLAGEEN
Scleroproteïne die zorgt voor het behoud van de weefsels en de huid. Collageen zit ook in vlees en vis en zorgt ervoor dat de producten niet uit elkaar vallen bij het bakken.
VOEDINGSSUPPLEMENT
Product om in te nemen als aanvulling bij de voeding om een feitelijk of verondersteld tekort in de dagelijkse voedselinname te compenseren
DIABETES
Ziekte die gekenmerkt wordt door een blijvend te hoog gehalte aan suiker in het bloed als gevolg van genetische en/of omgevingsfactoren. De klinische complicaties van diabetes zijn gewoonlijk van cardiovasculaire aard.
ENZYM
Stof die een chemische reactie kan teweegbrengen. Spijsverteringsenzymen zorgen voor de afbraak van voedsel en dat is nodig voor dit voedsel opgenomen en gebruikt kan worden door ons lichaam.
VOEDINGSWAARDE-ETIKETTERING
Alle informatie die op het etiket staat en betrekking heeft op de voedingswaarde en op bepaalde nutriënten en micronutriënten (proteïnen, koolhydraten, vetten, voedingsvezels, natrium, vitaminen en mineralen).
IJZER
Door te binden met de proteïnen in de bloedcellen (hemoglobine) kan ijzer de ingeademde zuurstof naar de cellen van ons lichaam vervoeren.
FERMENTATIE
Natuurlijk proces dat soms gebruikt wordt in de voedingsmiddelensector en waarbij micro-organismen zoals melkzuurbacteriën en gist een rol spelen. Die zetten de organische bestanddelen van een product of voedingsmiddel om (koolhydraten, vetten, proteïnen) in koolstofdioxide. Door melk te fermenteren wordt bijvoorbeeld yoghurt of kaas gemaakt.
VOEDINGSVEZELS
Plantaardige bestanddelen die niet of nauwelijks verteerd worden door ons lichaam. Ze kunnen water vasthouden wat de darmtransit bevordert. Oplosbare vezels zitten in fruit en groenten en oplosbare vezels vinden we vooral terug in volkoren graanproducten.
FLUOR
Mineraal dat zich vastzet op de tanden en botten en die zo sterker maakt.
FRUCTOSE
Monosacharide die vooral in fruit zit.
FRUIT (VERS / GEDROOGD)
Eetbare vrucht van een boom. Fruit kan gedroogd worden en behoudt dan dezelfde voedingswaarden als vers fruit, maar bevat, gram per gram, wel veel meer koolhydraten, vezels en bepaalde mineralen (magnesium) dan vers fruit.
Fruit bevat doorgaans geen vetstoffen, met uitzondering van bepaalde soorten, zoals avocado’s, olijven en schaalvruchten (hazelnoten, pinda’s, walnoten, amandelen, pistachenoten …). We spreken dan van oliehoudende vruchten.
KOOLHYDRATEN
Voedingsstoffen die calorieën aanvoeren. Eenvoudige koolhydraten zitten in suiker, gesuikerde producten, fruit en groenten. Complexe koolhydraten zitten in brood, granen, peulvruchten.
BMI (Body Mass Index)
Verhouding tussen gewicht en lengte waarmee de corpulentie en de eventuele gezondheidsrisico’s ingeschat kunnen worden. De BMI is gelijk aan het gewicht gedeeld door de lengte in het kwadraat.
Iemand met een BMI tussen 20 en 25 heeft een normaal gewicht,
bij een BMI tussen 25 en 30 is er sprake van overgewicht
en wie een BMI van meer dan 30 heeft, lijdt aan obesitas.
GLYKEMISCHE INDEX
Niet alle voedingsmiddelen die koolhydraten bevatten, veroorzaken dezelfde glykemische reactie (concentratie van glucose of “suiker” in het bloed). Als we iets eten, dan wordt er glucose afgegeven in het bloed. Hoeveel, dat hangt af van wat we eten (gekookt, rauw, met vezels, geraffineerd, zonder vetstoffen …). De glucose wordt geleidelijk of snel afgebroken en afgegeven, naargelang van deze parameters.
Het begrip glykemische index van voedingsmiddelen werd dus gedefinieerd om de koolhydraten in te delen naargelang van hoe hoog en hoe lang die de bloedsuikerspiegel doen stijgen.
INSULINE
Hypoglykemiërend hormoon dat wordt afgescheiden door de pancreas als reactie op een stijging van de bloedsuikerspiegel na het eten van een voedingsmiddel of een maaltijd.
LACTOSE
Natuurlijke dissacharide aanwezig in melk en zuivelproducten. In gefermenteerde producten, zoals yoghurt, wordt een deel van deze lactose omgezet in melkzuur.
LIPIDEN of VETSTOFFEN of VETTEN
Zichtbaar of als bestanddeel, vetten zorgen voor de toevoer van energie en voorzien in de behoefte aan essentiële vetzuren en in vet oplosbare vitaminen (A, D, E en K). 1 g vet is goed voor 9 kilocalorieën of 38 kilojoules
MACRONUTRIËNTEN
Alle proteïnen, vetten en koolhydraten die worden aangevoerd door voedingsmiddelen en waarmee ons lichaam zijn cellen kan voeden of energie produceren. 3 grote groepen van nutriënten: 1 g vet levert 9 kilocalorieën of 38 kilojoules en 1 g proteïne = 1 g koolhydraten levert 4 kilocalorieën of 17 kilojoules.
MAGNESIUM
Dit mineraal speelt een rol bij de samentrekking van de spieren en de overdracht van de zenuwimpulsen. Het helpt ook bij de botgroei.
VETTE MASSA
Lipiden (of vetten) worden opgeslagen in ons lichaam en vormen het vetweefsel dat ook wel vette massa wordt genoemd.
MAGERE MASSA
Geheel van weefsels dat de spieren en botten vormt.
MELANINE
Natuurlijk pigment dat huid, haren en netvlies min of meer donker kleurt, naargelang van de hoeveelheid melanine die we produceren.
MICRONUTRIËNTEN
Vitaminen, mineralen en vezels die geen energie toevoeren, maar onmisbaar zijn voor de goede werking van ons lichaam.
MINERALEN
Geen bron van energie en toch levensnoodzakelijk. Ons lichaam bevat grote hoeveelheden mineralen, goed voor 4 % van ons lichaamsgewicht. De mineralen worden dagelijks afgevoerd via de nieren en dus moeten we elke dag voldoende mineralen uit onze voeding halen.
We maken een onderscheid tussen mineralen waarvan we er veel nodig hebben, zoals natrium (zout), kalium, calcium, ijzer, magnesium en fosfor, en mineralen die we in mindere mate nodig hebben, ook oligo-elementen genoemd. De belangrijkste zijn jodium, koper, fluor, chloor, zink, kobalt, selenium en mangaan.
OLIGO-ELEMENTEN
Mineralen waarvan slechts een heel klein spoor voorkomt en die essentieel zijn voor de goede werking van ons lichaam. Vijftien oligo-elementen worden beschouwd als essentieel voor een goede werking van ons lichaam.
OMEGA 3
Essentiële vetzuren die ons lichaam niet zelf kan aanmaken en die dus uit de voeding gehaald moeten worden. Koolzaadolie, noten, soja en vette vis (tonijn, zalm, sardine, makreel) zijn de belangrijkste bron van omega 3. Van omega 3 is bewezen dat het een effect heeft op het cardiovasculair systeem en ook bijdraagt tot de ontwikkeling van het zenuwstelsel.
ORGANOLEPTISCH
Algemene term voor alle smaak-, geur- en visuele kenmerken van een voedingsmiddel. Deze kenmerken worden bepaald door de textuur en bestanddelen van het voedingsmiddel. Om de kwaliteit van een voedingsmiddel te bepalen, spreken we van de organoleptische kenmerken.
OSTEOPOROSE
Volgens de WGO (Wereldgezondheidsorganisatie) is “osteoporose een aandoening gekenmerkt door een lage botmassa, een microarchitecturale achteruitgang van het botweefsel, broosheid van het bot met als gevolg een toenemend risico op breuken”. Osteoporose is dus een degeneratieve aandoening van het botweefsel die nauw verband houdt met de levenscyclus van het skelet.
FOSFOR
Fosfor is een mineraal en een essentiële bouwsteen van alle cellen. Het bindt met calcium om bot te vormen. Fosfor helpt ook om energiereserves op te bouwen.
IDEAAL GEWICHT
Gewicht waarbij de risico’s voor de gezondheid onbestaand of minimaal zijn. Dit gewicht verschilt soms van het gewicht dat beantwoordt aan ons eigen schoonheidsideaal.
MELKPROTEÏNEN
Melk en zuivelproducten bevatten proteïnen van dierlijke oorsprong. In tegenstelling tot proteïnen van plantaardige oorsprong zijn proteïnen van dierlijke oorsprong “volledig” omdat die alle essentiële aminozuren aanvoeren die ons lichaam zelf niet kan aanmaken. Er bestaat trouwens een index om de kwaliteit van de proteïnen te meten: de biologische waarde van de proteïnen, die gedefinieerd kan worden als de graad van opname en gebruik door het lichaam van de proteïnen. De proteïnen in eieren werden lang als referentie gebruikt met een biologische waarde van 100. Dan volgen de melkproteïnen met een biologische waarde van 93, rundvlees en vis met 75 en maïs met 72. Bij zuivelproteïnen maken we een onderscheid tussen caseïnes en serumproteïnen. Caseïnes zijn onderhevig aan verzuring. In een zure omgeving gaan die coaguleren en “wrongel” vormen. Serumproteïnen zijn dan weer beter bestand tegen verzuring en vormen “wei”. Die zijn volgens sommigen immunoglobulines (of antilichamen), antibacteriële stoffen.
VRIJE RADICALEN
Dit zijn onstabiele moleculen die voortdurend aangemaakt worden door ons lichaam. Ze zijn giftig en doen onze cellen sneller verouderen. De productie van vrije radicalen wordt gestimuleerd door vervuiling, roken, vermoeidheid, stress, uv-stralen …
EIWIT-VETVERHOUDING
Verhouding om de voedingswaarde van een product te meten. Hoe hoger de eiwit-vetverhouding (V/E), hoe magerder het product. En omgekeerd, hoe hoger deze verhouding, hoe meer vet het product bevat. Om beschouwd te worden als een product met een hoge voedingswaarde moet de eiwit-vetverhouding hoger zijn dan 1 en dus meer eiwitten bevatten dan vetten.
DIEET
Kwantitatieve en kwalitatieve keuze van de voedingsmiddelen die we eten om een doelstelling te bereiken (behoud, verlies of toename van gewicht) of als reactie op een aandoening.
HERSTEL / VERRIJKING
De vermelding “met gegarandeerde …” betekent dat de vermelde bestanddelen (vitaminen, mineralen) die tijdens de fabricage verloren zijn gegaan opnieuw werden toegevoegd in dezelfde hoeveelheden als in het oorspronkelijke product.
De vermelding “verrijkt met …” betekent dat de nutritieve bestanddelen werden toegevoegd.
CARDIOVASCULAIR RISICO
Deze term verwijst naar de verschillende factoren die schadelijk kunnen zijn voor de goede werking van het cardiovasculair systeem en aan de basis kunnen liggen van een hartfalen. Het gaat om roken, gebrek aan lichaamsbeweging, voeding rijk aan bepaalde verzadigde vetzuren en arm aan vezels, vitaminen en mineralen, diabetes, cholesterol, overgewicht (vooral rond de buik), verhoogde bloeddruk ...
VERZADIGING
Het gevoel verzadigd te zijn. Dit gevoel ontstaat gewoonlijk 20 minuten na het begin van een maaltijd die in alle rust en langzaam gegeten wordt.
SEROTONINE
Dit is een hormoon dat gevormd wordt door omzetting van een aminozuur afkomstig uit onze voeding, tryptofaan. Het vermindert de eetlust, heeft een invloed op onze stemming en misschien ook onze slaap. Het speelt een rol bij tal van psychische aandoeningen, zoals depressie, angst en dwangneurose.
NATRIUM
Dit is een mineraal dat gewoonlijk voorkomt in gebonden toestand met chloor (Cl) en zo natriumchloride (NaCl) vormt, of zout. In ons lichaam is natrium nodig om de zenuwimpulsen door te sturen en het heeft ook een invloed op de arteriële bloeddruk. Vandaar dat we er niet te veel van mogen gebruiken. Te gezouten eten kan een onderliggend probleem van een te hoge arteriële bloeddruk verergeren.
Het speelt ook een rol in de vochthuishouding omdat zout water vasthoudt. Als we een natriumtekort hebben, zal veel drinken niet helpen om ons lichaam te hydrateren: het water wordt afgevoerd en niet vastgehouden. Natrium regelt ook ons dorstgevoel.
PLANTENSTEROLEN
Plantensterolen zijn plantaardige extracten die van nature in kleine hoeveelheden aanwezig zijn in plantaardige oliën, maar ook in beperkte mate in granen en oliehoudende vruchten (sesam, soja, amandelen, pindanoten, olijven, zonnebloem). De bekendste zijn fytosterolen waarvan we weten dat die de cholesterol verlagen.
VERRIJKING
Vooral bij vitaminen wordt verrijking toegepast als de voeding niet voldoende vitaminen bevat. De behoefte wordt dan gedekt door voedingssupplementen of verrijkte voedingsmiddelen.
OVERGEWICHT
Term die gebruikt wordt als de body mass index tussen 25 en 30 kg/m2 ligt. (zie BMI)
VITAMINE B12
Vitamine die een rol speelt bij de rijping van rode bloedlichaampjes en het behoud van het zenuwstelsel. Vitamine B12 vinden we terug in orgaanvlees, vette vis en alle voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
VITAMINE D
De enige vitamine die ons lichaam zelf kan aanmaken, gewoon door blootstelling van de huid aan de zon. Vitamine D zit vooral in de olie van vette vis en eieren. Het is nodig om calcium op te nemen en vast te zetten op de botten.
VITAMINEN
Levensnoodzakelijke bestanddelen die ons lichaam zelf niet kan aanmaken. Zonder vitaminen treden er tekorten op. Vitaminen moeten dus uit de voeding gehaald worden.

